LIFE-project

It Fryske Gea voert LIFE-project uit in de Jan Durkspolder e.o.
Van gras naar moeras

Tot twintig jaar geleden zag u in en rondom de Jan Durkspolder de drooggelegde restanten van enkele verlaten veenafgravingen. Die kregen sindsdien al een heel andere aanblik, want de hooilandpolders werden omgevormd tot natte natuur. Er ontstond een combinatie van open water, riet, ruigte, struweel en grasland die een grote aantrekkingskracht uitoefent op foeragerende en pleisterende vogels, zoals allerlei eenden, de Grauwe gans, Brandgans, Waterral, Rietzanger en Blauwborst. Maar ook insecten en amfibieën voelen zich in dit landschap thuis. Zo zijn in 2005 in de aangrenzende Wolwarren en Brêgeham een kleine tweehonderd heikikkers waargenomen. Het gebied herbergt ook een kleine populatie van de Noordse woelmuis, net als de Heikikker een bedreigde en beschermde diersoort. De Noordse woelmuis voelt zich thuis in zeer natte en periodiek overstromende gras-, riet- en ruigtevegetaties.

In en om de Jan Durkspolder heeft de natuur dus al veel te bieden. Toch zien we dat de moerasontwikkeling er onvoldoende op gang komt. Verlandende oevers met soorten als Lisdodde, Riet en Grote egelskop treffen we nauwelijks aan. Waarom de moerasontwikkeling stagneert weten we niet zeker, maar vermoedelijk is de waterplas te groot en heeft het vaste waterpeil een ongunstige invloed. Een bijkomend probleem is dat de Wolwarren er in de zomerperiode te droog bij ligt.

Ander waterbeheer

It Fryske Gea werkt daarom van najaar 2005 tot eind 2006 aan de waterhuishouding van het gebied. Om die te verbeteren wordt het in drie stukken verdeeld, elk met een afzonderlijke waterhuishouding. De Jan Durkspolder en de graslanden noordelijk daarvan liggen het laagst en krijgen een cyclisch peilbeheer. Dit betekent dat gedurende een aantal jaren de Jan Durkspolder in het voorjaar zover wordt drooggemalen dat er op een natte, slikkige bodem moerasplanten kunnen kiemen. In eerste instantie zijn dat pioniersoorten als Grote lisdodde, Moerasandijvie en Riet, maar op den duur zullen hier waterrietvegetaties en op kleine schaal ook rietlanden ontstaan.
In de periode dat de Jan Durkspolder wordt bemalen, komt het gebied ten noorden ervan onder water te staan. Overwinterende en foeragerende (water)vogels behouden daardoor hun biotoop. Als over een aantal jaren de Jan Durkspolder flink begroeid is, zal hij weer geleidelijk onder water worden gezet. De noordelijke polder wordt vervolgens op dezelfde manier drooggemalen, zodat zich ook daar de moerasvegetatie kan ontwikkelen. Deze verandering van ‘droog’ naar nat wordt met tussenpozen van enkele jaren herhaald.
In de rest van het gebied zal het waterpeil met name in de zomerperiode hoger blijven; het peil volgt de natuurlijke seizoensfluctuatie. Het gebied kan straks dienst doen als waterberging voor het overtollige water uit de omgeving.

Met deze ingrepen komt meer variatie in het moerasgebied. Er ontstaat een gebied met open water en rietlanden, hooilanden en struweel. Een aantrekkelijk milieu voor vogels, insecten en amfibieën én een milieu waarin de Noordse woelmuis zich goed kan handhaven.

Het gebied verkennen

Vanuit de Vogelkijkhut in de Jan Durkspolder en vanaf het fietspad langs de Wolwarren heeft u een prachtig uitzicht over het gebied. Bij de herinrichting worden wandelpaden aangelegd en kanoroutes uitgezet waarlangs u het gebied in kunt en er komt nog een kleine vogelkijkhut. Tenslotte verrijst op de fundamenten van een voormalige boerderij langs de Headamssleat een uitzichttoren van waar u het hele gebied kunt overzien.